Jan Wolkers, Kort Amerikaans, Amsterdam, 1962 Het verhaal speelt in Leiden omstreeks september 1944 tot de bevrijding in mei 1945. Bij een razzia in 1944 wordt Peter, een vriend van Erik van Poelgeest opgepakt. Erik zelf ontloopt dit lot, doordat hij juist het postkantoor was binnengegaan. Erik van Poelgeest is een achtienjarige jongeman, die ondergedoken is voor de arbeidsdienst en op een klein zolderkamertje woont. Als hij naar zijn kamer terugkeert, komt hij voorbij de Teken- en Schilderacedemie ARS AEMULA NATURAE, waar hij zich opgeeft als leerling bij kunstschilder Van Grouw. Erik werkt op een soort atelier, waar hij zeventiende-eeuwse zeeslagen op lampekappen schildert. Het ateliertje wordt beheerd door jonkheer Paul d'Ailleurs, een mislukte meester in de rechten. Behalve Erik werkt ook een blond joods meisje, Elly, twintig jaar oud, dat ondergedoken is bij de familie d'Ailleurs. De zestigjarige jonkheer bezoekt Elly 's nachts, als zijn vrouw slaapt. Ook op het atelier, als Erik weg is, hebben ze contact. Elly aanvaardt dit lichamelijk contact, omdat ze anders volledig in eenzaamheid is. Als Erik wat aandacht aan haar besteedt, wordt haar behoeft aan lichamelijkheid nog meer bevredigd. De eerste keer dat Erik de tekenacademie bezoekt, kan hij ongestoord het oude gebouw verkennen. Hij ontdekt een stilleven, waarop o.a. een schedel is geschilderd met op de linkerslaap een paarsige vlek:"Ik verkeer in gevaar, dacht Erik. De man die dit heeft geschilderd moet van mijn komst op de hoogte zijn geweest." Erik heeft zelf een groot litteken aan zijn hoofd, links bij zijn slaap. Dit litteken veroorzaakt nerveuze spanningen in hem, be‹nvloed z'n doen en laten. Steeds is hij geplaagd met dat litteken, door zijn vriendjes, door z'n broers en zusters: "vooral wanneer mijn haar pas geknipt was en het gedeelte van het litteken bloot kwam dat eronder verborgen was, zag je het erg. Kort Amerikaans model, godverdomme. En dat om een paar dubbeltjes uit te sparen." Hierom haat hij zijn vader. Bij dat eerste bezoek ontdekt hij ook een zolder en in een bergruimte een gipsen tors van een Griekse venus. Deze tors neemt hij als zijn geliefde:"Eindelijk heb ik een vrouw gevonden voor wie ik mijn hoofd niet hoeft af te wenden uit angst dat ze mijn geschonden gelaat zal zien", en even verder:"Maar jij bent blind voor de schaduw die over mijn gezicht valt, je verloor je hoofd toen je mij zag." De kunstschilder van Grauw is aangesloten bij de N.S.B., draagt een officiersuniform van de W.A. Hij is evenwel vriendelijk tegen Erik. Erik, die uit een streng-calvinistisch milieu komt, heeft een vriendinnetje Ans, dat als boekverkoopster werkzaam is. Als ze voor de eerste keer zijn zolderkamer komt zien, nadat Erik een boek over het animisme uit de winkel heeft meegenomen, gaat ze met hem naar bed. Ze is Rooms en biecht haar zonde bij de pastoor, die haar verdere omgang met Erik verbiedt. Na een tweede zolderbezoek laat ze Erik in de steek. Hij heeft inmiddels intiemer contact gezocht met Elly op het kantoor, als d'Ailleurs afwezig is. Ze praten nu samen meer, over hun ouders en over hun opvoeding, die ze hebben gehad. Erik zit vol haatgevoelens t.o.v. zijn opvoeders. Op de academie ontmoet hij een zonderling, De Spin genaamd, die ook aangesloten is bij de N.S.B. Het huis waar hij woont, bevat ook eigenaardigheden: een kamer vol flesjes aan touwtjes, een werkkamer. De Spin houdt er een eigen theorie op na over de zwaartekracht i.v.m. het kleurenspel, die ook nog, zoals hij zegt, van strategisch belang zal blijken. Eriks moeder komt hem elke dag in een pannetje eten brengen. Het gezin woont in Oegstgeest, ze reist per tram. Op een dag komt ze bedroefd uit het trammetje: Frans, de broer van Erik, heeft difterie. Later gaat Erik bij De Spin om raad vragen, er is geen hoop dat Frans het zal redden. De Spin geeft Erik een briefje van honderd gulden. Ze praten samen over de dood en als Erik vraagt hoe de hond van De Spin is gestorven, verteld deze dat hij zijn hond heeft vermoord., omdat hij niet wilde spreken. Later als Erik weg is pleegt De Spin zelfmoord. Erik ontdekt zijn lichaam als hij een brief moet wegbrengen van Van Grouw voor De Spin. Van Grouw vlucht op Dolle Dinsdag voor de geallieerden. Hij laat Erik in de academie wonen, zodat toch iemand het huis bewaakt. Inmiddels is de broer van Erik gestorven. Erik heeft hem nog kunnen bezoeken in het ziekenhuis. De begrafenis wordt door Erik bijgewoond. Zijn vader een gelovig mens, tracht zijn dood te aanvaarden. Van werkelijk berusten is noch bij de vader, noch bij de moeder sprake. In deze situatie blijkt ook de tegenstelling tussen de vader en Erik, die athe‹stisch denkt. Van de Ÿ 100.- van De Spin koopt Erik bloemen voor Frans. Op ‚‚n van de kransen laat hij, op verzoek van zijn zuster Bettie omdat moeder het steeds over een meisje van Frans heeft, zetten: Rust zacht, met innige deelneming, Ria ("Maar in het lint zat een plooi precies op de ch, zodat er stond: RUST ZAT. En mijn broer dronk nooit.") Erik brengt een nachtelijk bezoek aan Elly in het huis van d'Ailleurs, dat een vrij komisch verloopt heeft, want z'n baas komt ook bij haar op bezoek. Erik stelt Elly voor bij hem op de academie te komen wonen. Ze weigert, maar enkele maanden later zoekt ze hem daar op. D'Ailleurs schijnt opgepakt te zijn; daarna heeft ze bij twee oude dames ondergedoken gezeten, waar ze als het ware is gevlucht. Als ze samen de academie wat naar Elly's smaak hebben ingericht, gaan ze wat rusten. Erik verteld Elly als ze er naar vraagt, over het litteken aan zijn slaap: een keteltje met water is gesprongen toen hij, een half jaar oud, bronchitis had. Het gesmolten lood heeft de verwondingen veroorzaakt. Lichamelijk contact met Elly weigert hij. Enkele maanden heeft hij met de gipsen tors geleefd, waar hij in de nacht weer naar toegaat. Elly betrapt hem, wanneer hij zich bevredigt. In haar woede en verontwaardiging gooit ze de tors aan stukken. In het volgende moment grijpt Erik haar bij de keel en vermoordt haar in een vlaag van waanzin. Op de dag van de bevrijding luiden de klokken. Erik denkt een spelletje te spelen, als hij drie mannen in blauw overalls, met een antiek geweer tegemoet treedt. Het zijn verzetsstrijders, die de academie, bekend als fascistenoord, willen bezetten:" Hij liep snel en stootte het geweer naar voren. Hij werd zich niet bewust, dat nu hij werkelijk bedreigd werd, hij zijn gezicht niet afwende. Door de verbrijzelde ruit keek hij de man, die in elkaar dook en hem vanuit zijn heup volschoot met lood, recht in het gezicht."